Rome 2009: op zoek naar de Italiaanse Hollywood-Italiaan

In het voorjaar van 2009 woonde ik een paar maanden in Rome om als bursaal van het Nederlands Instituut onderzoek te doen voor Tu vuò fà l’americano?, mijn masterscriptie over beeldvorming van de mafioso. Het werd een periode vol film, stereotypen (zowel Italiaans en Amerikaans als Nederlands) en Romeinse glorie. Dit schreef ik over mijn verblijf daar:

 

1. Vliegen naar Rome. Een paar stoelen verderop zit een kleine mollige Italiaanse man, een real-life Salvatore Bonpensiero (Sopranos’ Pussy). Mijn scriptie begint hier: Hollywood’s stereotype Italiaan recht voor mijn neus. Om kwart voor acht zakken we door een dikke wolkendeken. Rechts gaat de zon onder, links hangt donkere bewolking. Het groen van Lazio’s heuvels is zo intens dat het licht lijkt te geven. In de verte de schaduw van het vliegtuig, een klein haaitje dat heel snel groeit. Een grote regenboog ter verwelkoming. Hallo Rome!

 

2. “Ter gelegenheid van Koninginnedag hebben Harer Majesteits Ambassadeur en Mevrouw Jacobs het genoegen u uit te nodigen voor een ontvangst in de residentie op woensdag 29 april 2009 van 19.00 tot 21.00 uur.” De ambassadeur, Neerland’s hoop in bange dagen buiten de grenzen, geeft een feestje ter ere van de koningin in zijn prachtige huis met gigantische tuin in Rome. NRC kopte in 2007 al “Diplomaten hebben te dure huizen,” maar men heeft het er nooit meer over gehad. Gert-Jan Dröge was er graag bij geweest, denk ik, bij al die rijpe corpsballen en hun vrouwen, wiens gulzigheid op de proef werd gesteld met zoveel hors d’oeuvre en bubbeltjeswijn en maar twee uur om het naar binnen te sluizen. Opvallend was vooral de hoogblonde 60+ dame die met de benen een beetje uit elkaar probeerde haar aangeschoten evenwicht te behouden. Haar bruin doorbakken vlees kwamen boven een zijden, strapless niemendalletje uit dat zij strak om het lijf had gesnoerd. De salsa-muziek deed haar een beetje op en neer bewegen. Ze keek soms een beetje scheel omhoog, alsof ze steels de roze pukkel op haar voorhoofd probeerde te bekijken.

Mijn mede-bursalen waren stijlvol gezelschap. In de koele avondlucht liepen we de heuvel af naar de bus. In onze handen een paar bossen oranje tulpen, een paraplu en een Chinees puzzelboekje uit het huis van de diplomaat.

 

3. Op de Dag van de Arbeid staat Piazza San Giovanni stampvol. Vanuit Piemonte, Napoli en Taranto stromen mensen het plein op. Italië kent een paar kunstvormen die de regionale verschillen overstijgen: opera, de commedia dell’arte, cinema. En Vasco Rossi, die hier vandaag liedjes zingt die het midden hebben tussen smartlap en rock, met wereldverbeterende teksten. ’s Avonds stonden wij daar tussen de duizenden Italianen te turen naar een van de reusachtige schermen aan weerszijden van het podium. De visuele effecten waren van zo ver niet te zien, maar af en toe knipperden de op het publiek gerichte lampen dramatisch om Vasco’s wijsheden kracht bij te zetten. En als we het niet konden horen maakte dat niet uit, want ieder van die duizenden Italianen zong feilloos mee. Zo zag het er ongeveer uit.

 

4. Na een korte toevoer van wat frissere lucht was Rome vandaag weer goed benauwd. Een prima zondag om het rustig aan te doen, met als maximale input een wandelingetje naar het dichtstbijzijnde punt vanwaar een blik te werpen was op ‘il Giro’, oftewel mannen op fietsen die zich in het kader van een ronde door Italië vandaag in het zweet werkten. Niet geheel onbegrijpelijk, want fietsen is hier bijzonder leuk. Gisteravond hobbelde er nog een zwarte fiets met twee Nederlandse meisjes door Rome, zigzaggend door winkelend volk en toeristen de Via del Corso af en veel te hard door de straatjes rond het Pantheon. De fietsbel klonk vaak, maar weinig overtuigend. De fiets deed vele hoofden draaien met de vraag of er geen remmen op zaten. Bijna beroemd.

Voor de zwetende wielrenners waren de wegen vrijgemaakt van wandelend publiek en was de stad aangekleed met commerciële sier die flink afdeed aan het oorspronkelijke decor. Het Colosseum achter schreeuwend plastic. Ze zijn hier dan ook niet vies van een sportevenement. Afgelopen woensdag vond nog de finale van de Champion’s League plaats en was Rome gevuld met Barcelona-fans en luidruchtige Engelse supporters met ontblote bierbuik. Uit voorzorg was er een alcoholverbod afgekondigd, wat afgedekte drankschappen in de supermarkt betekende en pizza’s zonder wijn erbij. Dit weekend was ook een deel van Villa Borghese, het park hierachter, afgezet voor een concours hippique. En vervolgens dus de fietsronde, inclusief rondcirkelende helikopters die ervoor zorgden dat we op de tv konden zien wat er een kilometer verder gebeurde. En toen we dat van dichtbij gingen bekijken, was de eerste beste wieler die aan onze ogen voorbijtrok internationale fietsheld Lance Armstrong.

Armstrong is hier niet de eerste beroemdheid van dichtbij. Op 1 mei was er Vasco. En laatst deelden mijn beursgenoten en ik een zaaltje met niemand minder dan J.P. Balkenende. Die kwam een speech houden op de Sapienza universiteit alvorens te lunchen met Berlusconi en mee te rijden met de oude-auto-race Mille Miglia (als bijrijder). Het was een weinig verrassend praatje, gevuld met de bekende termen ‘waarden’ en ‘normen’, want blijkbaar draait ook de EU hierom: “The founding fathers of the EU were united by their strong beliefs in core values…” Voor het geval de luisteraars het niet bij konden houden, of mocht JP zelf vergeten waar hij het over wilde hebben, had iedereen de speech volledig uitgeprint op zijn stoel liggen. JP had goed naar zijn spindoctor geluisterd: hij maakte af en toe een grapje (“Wat? Hebben jullie een printje van mijn speech? Nou, dan kan ik net zo goed ophouden!”) en leukte het geheel wat op met verwijzingen naar sport (“Perhaps the strongest metaphor for Europe is the legendary AC Milan team…” – ik denk het ook, JP).

De polderroem van onze premier verveelde snel. Gelukkig hoef je hier maar de hoek om te slaan om herinnerd te worden aan de ware faam die de stad herbergt, en film is hierbij geen ondergeschoven kindje. Regelmatig rijd ik in bus 95 over de Via Veneto, set van Fellini’s La Dolce Vita. Aan het einde van de straat, bij de oude stadsmuur, ligt Largo Federico Fellini. Daarachter, in Villa Borghese, ligt het Casa del Cinema aan Piazza Marcello Mastroianni. Soms drink ik koffie in de passage die is vernoemd naar Alberto Sordi, de Romeinse filmkomiek. Laatst dacht ik daar oog in oog te staan met regisseur Nanni Moretti. Ik keek hem ongemakkelijk lang aan, omdat ik begon te twijfelen of het geen dubbelganger was. Daarna even plaatjes kijken op Google, ja, hij was het wel. Heb ik nu koffie gedronken met Moretti?

Nu ‘s avonds is de lucht weer wat afgekoeld, misschien gaat het zo wel regenen. Ergens in de verte speelt een fanfare. Een fris briesje blaast de muziek door de openstaande ramen het Knir binnen. Het doet denken aan de uitbundigheid van Fellini’s films. Net hebben we nog zijn Roma gekeken, een eerbetoon aan de stad wiens roem eigenlijk alles overstijgt. Want Rome zag ze allemaal komen en gaan, van keizer Nero tot Mastroianni, 265 pausen, en Vasco Rossi. Haar Colosseum is al miljarden keren bekeken, evenveel mensen vergaapten zich in haar Pantheon, en al die duizenden jaren ligt zij daar rustig mooi te zijn. Moge duidelijk zijn wie de echte ster is.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *