‘You need to start by acknowledging that you yourself are a brand,’ zegt marktstrateeg David Wales tegen documentairemaker Morgan Spurlock in Pom Wonderful Presents: The Greatest Movie Ever Sold. Het begint met erkennen dat je zelf een merk bent.

Spurlock, bekend van zijn docu Super Size Me, wil van zijn nieuwste film, die in november tijdens het IDFA de Nederlandse première beleefde, de eerste ‘docbuster’ ooit maken. Hij denkt dat de sleutel tot dat succes ligt in goede branding. Hij dompelt zich onder in wat ‘the fucked up world of marketing’ heet en maakt al in de eerste tien minuten twee dingen duidelijk: De wereld bestaat uit merken, en alleen met een sterk persoonlijk merk krijg je echt iets voor elkaar.

Dat klinkt als hysterische marketing, maar er is een hoop veranderd sinds de Amerikaanse managment-auteur Tom Peters in 1997 de term personal brand muntte in het zakentijdschrift Fast Forward. Toen was personal branding nog voorbehouden aan filmsterren, politici en Oprah Winfrey. Nu gaat Spurlock in New York de straat op om willekeurige mensen te vragen naar hun merk, en hebben zij verrassend snel een antwoord klaar: van ‘eighties revival meets skater-punk’ tot ‘casual fly’, of ‘failed writer-alcoholic’.

Ook de gemiddelde Nederlander bouwt steeds harder aan zijn persoonlijke merk, al dan niet bewust. Dat heeft te maken met de grote vlucht die social network sites de afgelopen jaren hebben gemaakt. Niet dat we door onze Facebook-account massaal de nieuwe Nike of Apple van onszelf proberen te maken. Maar dat is ook niet hoe je een persoonlijk merk bouwt, denkt Huub van
Zwieten (merk: ‘DroomBaanGoeroe’), die in 2005 personal branding in Nederland introduceerde met zijn boek Het merk ik. ‘Over producten kan je een bedacht imago heen leggen. Een persoonlijk merk gaat om het beeld dat mensen van je hebben,’ legt van Zwieten uit. ‘Dat beeld komt tot stand door de dingen die je dagelijks doet en wat je online zet. Personal branding is het
idee dat je invloed kan uitoefenen op dat beeld.’

In de basis werkt dat nog steeds hetzelfde als vijftien jaar geleden, denkt Van Zwieten, maar de dynamiek ervan is volgens hem wel veranderd door de transparantie en reikwijdte van nieuwe communicatiemiddelen: ‘De wereld is een grote candid camera-show geworden en dat zal alleen nog maar meer worden, voorspel ik.’

Van Zwietens voorspelling is niet uit de lucht gegrepen, want Facebook en Twitter (respectievelijk 800 miljoen en 200 miljoen gebruikers wereldwijd) hebben een menselijke zucht tot etaleren blootgelegd die zijn weerga niet kent. Een collectieve verslaving waar we nog moeilijk zonder kunnen, want je bouwt er sociaal kapitaal mee op: je verhoogt de waarde van jouw
persoonlijke netwerk – en van je merk. ‘Hoe meer je op Facebook zet, hoe meer vrienden je krijgt en hoe populairder je wordt online,’ legt promovendus in de media- en cultuurwetenschappen Koen Leurs uit. ‘Iedereen doet er aan mee, omdat het verwacht wordt.’

Geen probleem, als we internetjournalist Jeff Jarvis (merk: The Technology Man) moeten geloven. In zijn onlangs in de VS verschenen boek Public Parts bejubelt hij de voordelen van wat hij noemt publicness, of openbaarheid. Privacy kent veel voorvechters, maar openbaarheid verdient ook pleitbezorgers, schrijft Jarvis, en hij voegt zichzelf met dit boek in volle overtuiging bij die laatste categorie. Want, vindt hij, er is voordeel te halen uit jezelf publiek maken. Het bevredigt
de menselijke behoefte aan aandacht; het maakt samenwerking mogelijk; organiseert ons en verzamelt onze kennis; neutraliseert stigma’s en ontzenuwt de mythe van perfectie.

Ook belangrijk: met openbaarheid bouw je relaties op. Door je gegevens te delen creëer je connecties, stelt Jarvis, en dat is belangrijk in het ‘tijdperk van links’ waar we nu in leven. Veel jonge bedrijven verzamelen hun hele personeelsbestand aan de hand van social network sites. ‘Brands equal relationships,’ aldus Jarvis, en in een gelinkte wereld en een ‘relatie-economie’ zijn de kosten van isolatie veel te hoog. ‘Get on the bus,’ citeert hij Facebook-oprichter Mark Zuckerberg.

Dit soort ideeën stuit op kritiek van internetsceptici als Evgeny Morozov, die een vernietigende recensie schreef van Jarvis’ boek. Morozov vindt dat utopist Jarvis ‘de culturele gevolgen’ die ‘de politieke economie van het web’ met zich meebrengt onderschat. Bazen van de internetbedrijven van vandaag (Mark Zuckerberg en Google’s Larry Page), waarschuwt Morozov, zijn heus niet
goedaardiger dan de mediabazen die hen voorgingen, zoals de krantenmagnaten Rupert Murdoch en Condrad Black.

Ook in Nederland bestaat er weerstand tegen dit soort etaleringsdrang. Eerder dit jaar schreef filosofe Stine Jenssen het essay ‘Echte Mensen’ waarin ze pleit voor betere bescherming van onze privégegevens (ons ‘intieme kapitaal’) en sloten schrijvers Ronald Giphart en Joost Zwagerman hun Facebook-account af. Daarnaast is Facebook vaak negatief in het nieuws vanwege het
doorspelen van de gegevens van haar gebruikers.

Maar het opzeggen van een sociaal netwerk is voor Giphart en Zwagerman (merk: gevestigde schrijvers) makkelijker gedaan dan voor de nieuwelingen die de arbeidsmarkt bestormen. Die kunnen moeilijker zonder het sociale kapitaal dat ze daar opbouwen. Zij gaan bovendien veel zorgvuldiger met hun privégegevens om dan de gemiddelde puber, en gebruiken sociale media
veel doelmatiger.

Toch ziet deze ‘zorgvuldige generatie’ een ander bezwaar over het hoofd: Terwijl jij op Facebook al dan niet bewust een merk bouwt, verbind je dat merk aan Facebook en ben je minstens zo hard aan het werk voor meneer Zuckerberg als voor jezelf. Samen met je digitale vrienden breng je namelijk waardevolle informatie in kaart voor derde partijen. Die partijen
betalen daar graag voor, maar aan de eigenaren van de social network sites, en niet aan jou. Leurs: ‘Je werkt aan jezelf, maar in dienst van wat?’

Of, zoals documentairemaker Spurlock zich afvraagt, terwijl zijn merk waardevoller wordt en steeds meer bedrijven met hem willen samenwerken: ‘Am I selling out or buying in?’

Als actieve gebruiker van Facebook gooi je jezelf onvermijdelijk in de uitverkoop: de foto’s, likes en contacten die je online zet geef je nu eenmaal weg aan het bedrijf. Er zijn wel alternatieven waarmee jouw gegevens niet worden doorverkocht. Diaspora bijvoorbeeld, een sociaal netwerkdat in 2010 werd opgericht door vier studenten uit frustratie met de handel in gebruikersgegevens door internetbedrijven. Maar zolang dit soort initiatieven geen kritische massa aan gebruikers heeft, is daarmee niet dat sociale kapitaal op te bouwen dat voor je ‘merk’ zo belangrijk is.

Tot die tijd kan je de gevestigde sociale media dus maar beter in je voordeel gebruiken. Daarmee beïnvloed je de Google-resultatenpagina van jouw naam, en die is de belangrijkste reflectie van je merk – veel meer dan een visitekaartje. Van Zwieten: ‘Het is best een slim idee om die pagina te beïnvloeden, als je wat krachtiger wil zijn of grotere toegevoegde waarde wil hebben. Niet zodat het niet meer klopt, maar zodat het veel meer klopt met wie je bent.’

Wie zich gericht wil branden kijkt gerust af bij Jarvis. Hij etaleert zichzelf niet alleen via Facebook en Twitter, maar zette bijvoorbeeld ook delen van zijn boek gratis online op zijn blog Buzzmachine en de publicatiewebsite Scribd. Dat komt allemaal ten goede van zijn persoonlijke merk. Net als het boek zelf. ‘De enige manier om Public Parts te begrijpen,’ schrijft Morozov, ‘is
om het te lezen als een langdradige brochure over Jeff Jarvis.’

En Morozov zelf? Die werkt iedere dag zorgvuldig aan zijn eigen merk met behulp van zijn Twitter-account.

 

Dit artikel verscheen op 15 december 2011 in nrc.next

15/12/2011

Leave a Reply