Foto: Mathias Brashler en Monika Fischer
Foto: Mathias Brashler en Monika Fischer

Mathias Braschler en Monika Fischer portretteerden mensen die in Guantánamo gevangen zaten. Het trauma is groot.

Hij was er duidelijk over: binnen een jaar zou Guantánamo Bay worden gesloten, beloofde Barack Obama op 22 januari 2009. Daarmee liet de pas geïnaugureerde president een heldere breuk zien met zijn voorganger George Bush, en gaf hij gevolg aan zijn voornemen om meer ethische verantwoordelijkheid te nemen in de war on terror. De VS, zo zei Obama, ‘hoeven geen valse keuze meer te maken tussen onze veiligheid en onze idealen’.

Twee jaar na het verstrijken van de deadline is Guantánamo nog altijd open. Van de 779 gevangenen die er sinds 2002 zijn binnengekomen, zijn er zeshonderd overgeplaatst of vrijgelaten en zeven overleden. Dat het afgelopen jaar geen gedetineerden meer in vrijheid zijn gesteld, ligt vooral aan het Amerikaanse Congres, dat sinds enige tijd van het ministerie van Defensie eist dat een gevangene na zijn vrijlating geen enkele bedreiging meer vormt – iets wat onmogelijk kan worden gegarandeerd. Ook heeft het Congres een verbod uitgevaardigd om gedetineerden uit Guantánamo nog naar de Verenigde Staten te vervoeren.

Zonder broek

Zij die wel vrijkwamen uit de omstreden strafinrichting, zijn getekend voor het leven. Jarenlange fysieke en geestelijke martelingen en het onterechte stempel van verdachte maken de terugkeer naar een normaal bestaan praktisch onmogelijk. ‘The worst of the worst’, noemde voormalig minister van Defensie Donald Rumsfeld de mannen die vanaf 2002 in Guantánamo belandden. Maar in werkelijkheid bleken de meeste gedetineerden niets met Al-Qaida te maken te hebben. Velen van hen waren voetsoldaten voor de taliban, gerekruteerd voor een oorlog die lang voor 9/11 was begonnen. Of ze waren hulpverleners, godsdienstdocenten of economische migranten, en door hun Afghaanse en Pakistaanse landgenoten als ‘terrorist’ aan de Amerikanen verkocht.

Mathias Braschler en Monika Fischer fotografeerden en interviewden zestien ex-gedetineerden uit Guantánamo. De fysieke littekens die ze tonen onderstrepen de verhalen over pijn, angst en vernedering. Alleen al de tocht naar Cuba – de oren afgedekt, de ogen geblindeerd met goggles die zo strak waren vastgemaakt dat het bloed rond de oogkassen niet meer kon stromen, de handen vastgeklemd in handschoenen die het bewegen van de vingers onmogelijk maakten – ervoeren de mannen als een extreem traumatische ervaring. En dat terwijl velen van hen al martelingen hadden moeten doorstaan in Egypte, Pakistan of Afghanistan, waar ze gedrogeerd, geslagen en geëlektrocuteerd werden.

De gedetineerden verbleven in Guantánamo dag en nacht in hel verlichte ruimtes, mochten niet slapen of werden herhaaldelijk gewekt, en werden langdurig blootgesteld aan lage temperaturen. Soms moesten ze zich zonder reden uitkleden. ‘Als je werd vernederd,’ vertelde een van de mannen aan Braschler en Fischler, ‘had je twee keuzes: accepteren, en van jezelf balen dat je zonder broek rondloopt, of terugvechten en in elkaar geslagen worden.’ Sommigen zeiden vooral onder de psychologische marteling te hebben geleden, tot het punt dat hun angst om gek te worden groter was dan de angst om te sterven.

Tegen de Geneefse conventies in, die een humanitaire behandeling van oorlogsverdachten voorschrijven, werden alle mannen zonder aanklacht of rechtszaak vastgehouden.

Door de stress waaraan iedereen blootstond, was de sfeer in het kamp zeer gespannen. Gevangenen gingen in hongerstaking, bonkten uren achtereen op deuren of gooiden urine en braaksel naar de bewakers.

Zelfs videospelletjes

In de loop der jaren zijn de omstandigheden in Guantánamo wel verbeterd. Eind 2003 kregen gedetineerden advocaten toegewezen, en sinds 2004 bestaat de mogelijkheid om de detentie aan te vechten. Tegenwoordig verblijven de gevangenen in moderne gevangenisblokken, die uitgerust zouden zijn met kabeltelevisie en zelfs videospelletjes. De mannen worden niet meer fysiek mishandeld, maar de onzekerheid over de vraag of ze ooit nog vrijkomen blijft een mentale beproeving. Van de huidige gedetineerden zitten er 46 vast zonder officiële aanklacht en wachten er 36 op een rechtszaak. De kans dat een van hen binnenkort vrijkomt, is aanzienlijk verkleind sinds president Obama op 31 december vorig jaar zijn handtekening zette onder de National Defense Authorization Act. Deze wet bepaalt dat terrorismeverdachten niet worden berecht door federale rechtbanken, maar door een speciaal militair tribunaal dat zetelt op Guantánamo Bay, binnen een rechtssysteem met beperkte rechten voor de verdachte. Afgelopen november, toen de Senaat zich over de wet boog, waarschuwde Obama nog dat hij zijn veto zou uitspreken. Nu zegt hij de wet te steunen, ondanks ‘serieuze reserves’ met betrekking tot detentie, ondervraging en vervolging van verdachten. ‘Dat ik deze wet als geheel steun, betekent niet dat ik het eens ben met alles wat erin staat,’ aldus de Amerikaanse president. Zijn perssecretaris verklaarde afgelopen week dat Obama nog steeds voornemens is Guantánamo te sluiten.

Sami Al-Laithi (Egypte, 1956)

‘Ze schopten me in mijn gezicht en rug en ze sleepten me naar buiten. Daarna kon ik niet meer bewegen of opstaan. Het kon ze niet schelen, ze gingen dagelijks door. Tot ik helemaal niets meer kon. Ik werd naar het ziekenhuis gebracht, er was een ruggewervel gebroken. Na vijf jaar opsluiting kreeg ik een rechtszaak, een complete farce. Het vonnis luidde dat ik niet langer een “enemy combattant” was. En ik kreeg niet eens excuses. Ik kreeg alleen een rolstoel, zonder voetsteun, zodat mijn voet over de grond sleepte.’

Feroz Abbasi (Oeganda, 1979, Brits)

‘Ik werd opgepakt in Kandahar, waar Afghanen mij aan de Amerikanen verkochten voor dertigduizend dollar. Omdat ik Brits ben, ben ik niet gemarteld zoals andere gevangenen. Het werd pas moeilijk voor mij toen ik weigerde te praten en herhaaldelijk om een advocaat begon te vragen. Ze lieten me urenlang achter in de verhoorkamer met de airconditioning op de hoogste stand. Ik moest naar de wc, maar dat kon niet. Uiteindelijk heb ik op de vloer geplast. Vervolgens mocht ik niet eten. Mijn medegevangenen gingen daardoor in hongerstaking. Ik ben erg boos om wat me is aangedaan.’

Khaled ben Mustapha (Frankrijk, 1972, Frans/Tunesisch)

‘Ik denk niet meer terug aan mijn tijd daar, op een of andere manier is dat vanzelf zo gegaan. Ik denk nog wel veel aan degenen die er nog zitten. Dat is nu Guantánamo voor mij: degenen die daar nog wel zijn. Zij kunnen niet veroordeeld worden, omdat ze niets gedaan hebben. Maar men noemt hen gevaarlijk. Als een gevangene daar na tien jaar martelen gevaarlijk is, dan ligt dat aan de Amerikanen, niet aan de gemartelde. Het is een tragedie dat Guantánamo nog altijd open is.’

Mamdouh Habib (Egypte, 1956, Australisch)

‘Vier jaar heb ik vastgezeten, zonder advocaat, zonder wat dan ook. Ik ben nooit gearresteerd, ik ben gekidnapt toen ik op weg was van Pakistan naar Sydney, op zakenreis. In Guantánamo hebben ze alle tijd. Ze kunnen je een jaar in een cel laten zitten, niemand die je ziet, niemand die met je praat. Ik sliep er naakt in een metalen ruimte. Soms word ik om vier uur ‘s ochtends wakker en vraag ik me af hoe ik vier jaar lang in de kou heb kunnen slapen. De marteling blijft voor altijd in mijn lichaam.’

Lahcen Ikassrien (Marokkaans)

‘Ik zat zes maanden in Guantánamo voordat ik wist waar ik was. Ik lag op de ziekenafdeling, omdat ik gewond was geraakt bij een Amerikaans bombardement in Mazar-e Sharif. In Guantánamo was het verboden te praten, ik mocht helemaal niets, maar moest altijd blijven opletten. Om gek van te worden. Zes maanden heb ik met niemand kunnen praten. Pas in Guantánamo begrepen we dat het de Amerikanen niet om Bin Laden te doen was, of om de taliban, maar om de hele islamitische religie. Niet Bin Laden en Mullah Omar werden ondervraagd, maar gewone moslims uit de hele wereld.’

Mullah Zaeef (Afghaans)

‘In Guantánamo werden we zowel fysiek als psychologisch gestraft. Ze schoren mijn baard af, en mijn baard is erg belangrijk voor me. Het was vernederend. We konden ons niet wassen nadat we naar het toilet waren gegaan, waardoor we vieze handen hadden en niet konden eten. Ze stopten me in een kooi en namen al mijn kleren van me af. Een maand lang liep ik naakt rond. Ik was aan de Amerikanen overgeleverd als een schaap aan een wolf. Guantánamo heeft me veranderd. Ik heb last van zware depressies. Ik heb het gevoel dat er geen gerechtigheid bestaat.’

Omar Deghayes (Brits/Libanees)

‘In Guantánamo heb ik mijn vingers gebroken, een kan ik nu niet meer gebruiken. Ik zat in een isolatiecel, een kleine ruimte van zo’n twee bij drie meter, met metalen muren en een kleine opening die de “bean hole” werd genoemd. Hier gooiden ze eten en andere dingen doorheen. Soms spoten ze er pepperspray doorheen, voordat ze je in elkaar kwamen slaan. Eén keer probeerde ik de pepperspray tegen te houden en duwden de cipiers het deurtje voor de opening dicht. Mijn vingers kwamen ertussen, maar ze bleven duwen. Het breken van de vingers was te horen, en toch duwden ze door.’

 

Dit artikel verscheen 21 januari 2012 in Vrij Nederland

21/01/2012

Leave a Reply