Illustratie: Han Hoogerbrugge
Illustratie: Han Hoogerbrugge

Minder vlees, meer mens. Maar zo makkelijk is dat niet voor vleesverlaters. Hippe nepvega’s hunkeren naar een ecosteak.

‘Nepvegetariër’. Ik nam de belediging met blozende wangen in ontvangst van een stevige, blonde ober in een Limburgs restaurant. Ik had er om een vegetarisch menu verzocht, maar een tafelgenoot wees me erop dat er biologisch vlees werd geserveerd. Dat kon mijn diervriendelijke hart wel verdragen, en uit angst voor de melige geitenkaashap die de vegetariër doorgaans geserveerd krijgt, besloot ik te switchen. De ober dacht er het zijne van.

Bijzonder tevreden met mijn keuze was ik, toen ik in mijn tienerjaren overschakelde naar diervriendelijk vlees. Wat een vondst: ik was goed voor de wereld en kon toch vlees blijven eten – alleen niet bij McDonald’s, want die Big Mac-koeien schenen nog wel eens levend gevild te worden. Dit was idealisme zonder geitenwollen sokken. En nog gezond ook, want de antibiotica waar het vee in megastallen mee werd volgestopt, kwamen mijn mond niet in. Nog altijd kijk ik met verbazing naar mijn vrienden die voor een barbecue dozen diepvriesburgers kopen en hun wraps vullen met grauwe kipfilet waar een 35%-sticker op zat.

Dat houd ik echter liever voor me, want inmiddels vind ik mijn ‘ik eet alleen biologisch vlees’-stelling ontzettend zeikerig klinken. Ik kan mezelf er ook niet meer mee overtuigen, want tegenwoordig is het algemeen bekend dat vleesconsumptie de aarde vernietigt. In mijn kast staat Dieren eten van de Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer. Het gaat over varkensstront die rivieren vergiftigt en astma veroorzaakt bij kinderen, over resistente bacteriën (‘superbugs’) en over dierenmishandeling. Ook met biologisch vlees ben je je zaak niet zeker, zegt Safran Foer. ‘Voor kippen en kalkoenen betekent “biologisch” hoegenaamd niets als het om dierenwelzijn gaat. Je kunt je kalkoen het etiket “biologisch” opplakken en hem elke dag martelen.’

Een Bengaalse garnalenkwekerij

Verder weet ik niet wat er in het boek staat, want ik durf het niet te lezen. Een vriendin van mij las het en kan sindsdien zelfs de meeste kazen niet meer eten, omdat stremsel van kalvermaag wordt gemaakt. Op de kaft staat een citaat van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee: ‘Wie na het lezen van Dieren eten deze producten nog consumeert is óf harteloos, óf ongevoelig voor rede, óf allebei.’ Dus lees ik het maar niet.

Want Safran Foers heldere kreet ‘Ik zal nooit meer vlees eten,’ zal ongemakkelijke momenten in Limburgse restaurants misschien voorkomen, een al te stellig standpunt is ook een pain in the ass. Dit voorjaar zond BNN het programma Bloed, zweet en luxeproblemen uit, waarin Nederlandse jongeren in Azië en Afrika aan producten werkten die zij hier consumeren. Een van de deelnemers was Daphne, overtuigd veganist. ‘Ik wijk nooit af van mijn principes,’ verklaarde ze. Dat betekende dat ze bij een Ethiopische leerlooierij of een Bengaalse garnalenkwekerij het zware werk aan de andere deelnemers overliet, er waren immers dieren mee gemoeid. Dat stuitte op onbegrip bij de lokale bevolking, voor wie dergelijke luxe keuzes niet waren weggelegd en zorgde voor ergernis bij de rest van de groep. Daphne toonde ongewild hoe een al te vaste overtuiging zelfs tot sociale uitsluiting kan leiden.

Dikke mist van halfslachtigheid

Voor wie liever een praktische, minder nobele weg kiest dan Jonathan en Daphne rest slechts het flexitarisme. De term is in de VS opgekomen in de jaren negentig en in 2003 definitief gevestigd, toen de American Dialect Society ‘flexitarian’ tot het nuttigste woord van het jaar verkoos. De flexitariër is een vleesetende vegetariër, of een omnivoor die regelmatig afziet van een stukje vlees. Samen met de pescotariër (die geen vlees eet, maar wel vis) en de pollotariër (geen vis of vlees, behalve gevogelte) hult hij zich in een dikke mist van halfslachtigheid.

Desalniettemin is het flexitarisme een hardnekkige hype gebleken. Boeken als The Flexitarian 
Diet(2008) van de Amerikaanse televisiediëtiste Dawn Jackson Blatner zijn onbetwiste bestsellers.

Een hardlopende allochtoon verklaart flexitariër te zijn. Klinkt als ‘n ziekte

De flexitariër heeft als voordeel zijn culinair verantwoorde imago, dat grotendeels te danken is aan de inspanningen van Mark Bittman, culinair recensent van de The New York Times en een van Amerika’s autoriteiten op het gebied van thuis koken. Toen Bittman na drie decennia gastronomische journalistiek vijfentwintig kilo was aangekomen en gezondheidsproblemen kreeg, besloot hij zijn vleesconsumptie drastisch te verminderen. Wat begon met zijn Vegan before 6-dieet – waarbij hij tot het avondeten alle dierlijke producten liet staan – mondde uit in een persoonlijke lobby voor flexitarisme, of wat hij soms ook ‘lessmeatarianism’ noemt. Zijn Amerikaanse standaardwerk How to Cook Everything (1998) kreeg in 2007 een vegetarisch vervolg: How to Cook Everything Vegetarian, in het Nederlands uitgebracht als De dikke vegetariër. Later volgden opiniestukken, TED Talks en zijn boek Food Matters, een betoog voor een nieuwe denkwijze over eten.

De schwung die Bittman aan het flexitarisme geeft houdt in Nederland helaas geen stand. Hier is de flexitariër geadopteerd door de grootstedelijke yup en even geforceerd vlot als de ‘q’ van ‘alternatieve supermarkt’ Marqt. Want de al dan niet gedeeltelijke vegetariër moet hip zijn, en sexy bovendien. Zie de glossy Vega, ‘voor vegetariërs en flexitariërs’, met een artikel over een veganistische stripclub. Op de cover staat Georgina Verbaan met getuite lippen en een rode appel op haar hoofd.

Illustratie: Han Hoogerbrugge
Illustratie: Han Hoogerbrugge

Minder sexy, maar met wederom een geforceerd vleugje hip, is de campagne ‘Ik ben flexitariër’ van Natuur & Milieu, waarmee de stichting een mindering in vleesconsumptie probeert te stimuleren. Als iedere Nederlander twee dagen per week vegetarisch zou eten in plaats van vlees, is de gedachte, dan scheelde dat jaarlijks ‘de CO2-uitstoot van 570.000 personenauto’s’. Op de campagnesite ikbenflexitarier.nl wordt ‘durf’ als ‘durv’ geschreven en verklaren een vrouw met baby, een vijftigplusser en een hardlopende allochtoon flexitariër te zijn. Alsof het een nare ziekte betreft. Eentje die je nog makkelijk oploopt ook, want de definitie ervan is nogal ruim: ‘Het uitgangspunt is dat je als flexitariër één of meerdere dagen per week geen vlees eet,’ aldus ikbenflexitarier.nl. Uit onderzoek van Motivaction voor Natuur & Milieu bleek dan ook dat maar liefst 83 procent van de Nederlanders flexitariër is, de meeste van hen zonder het te weten.

Vleesconsumptie halveren

Dat is precies het grote probleem van de flexitariër: de term raakt kant nog wal.
De flexitariër kan zes dagen per week hamburgers happen bij Burger King en toch stellen dat hij goed bezig is voor de wereld. Zou iedere Nederlander het zo aanpakken, dan spuwden we – uitgaande van de formule die Natuur & Milieu hanteert – jaarlijks de CO2-uitstoot van 1,71 miljoen personenauto’s de lucht in. De flexitariër is als Barbie uit de realityshow Oh oh Cherso, die in een vaak herhaald fragment zegt vegetariër te zijn en dus alleen frikadellen te eten. Of als het grietje dat in een restaurant een vegetarisch menu verzoekt, maar bij nader inzien als vleeseter uit de kast komt. Een nepvegetariër. Ik zou ‘ik ben flexitariër’ mijn strot niet uitkrijgen. Dan maar ‘ik eet alleen biologisch’, dat is tenminste nog een duidelijk statement over het vlees dat je wel eet. Een belangrijk statement ook, als ik Jenna Woginrich moet geloven. Volgens Woginrich, boerderijhoudster en schrijfster over duurzaam leven voor de The Huffington Post en Mother Earth News, zijn dieren meer geholpen met mensen die biologisch vlees eten dan met vegetariërs. In een berucht artikel dat ze voor The Guardian schreef, stelt ze dat elke biologische maaltijd de landbouwsector beïnvloedt, omdat de consument zo demonstreert extra te willen betalen voor een ‘waardige maaltijd’. Vegetariërs noemt Woginrich ‘pacifisten’ die de strijd met de bio-industrie uit de weg gaan. Een plantaardig dieet haalt het kalf niet uit de kist, een slim gekozen stuk vlees wel, aldus Woginrich.

Bij ‘gepassioneerd vegetariër’ Antoinette Hertsenberg, die het vegetarische boek van Bittman naar Nederland haalde en het initiatief nam voor DeVegetariër.nl, kan ik met Woginrich’ stelling helaas niet aankomen. ‘Als je doel is dat de vleesindustrie blijft, dan wel. Maar niet als je vindt dat dieren eigenlijk niet geslacht moeten worden voor onze lekkere trek.’ Hoe minder, hoe beter, denkt Hertsen berg. ‘Bittman heeft mij na twintig jaar vegetarisme zelfs aan het denken gezet over veganisme. Want als je alle vlees door kaas vervangt is de winst voor het milieu zo weer weg.’

Ook Bittman staat cynisch tegenover biologisch vlees. Diervriendelijkheid is belangrijk, zegt hij in een van zijn TED Talks, maar ‘er is geen manier om dieren goed te behandelen als je er tien miljard per jaar slacht.’ En dat cijfer heeft alleen nog maar betrekking op de veestapel in de VS. De wereld wordt bedreigd door de overconsumptie van dieren, die een vijfde van alle broeikasgassen veroorzaakt. De vleesconsumptie moet gehalveerd, vindt hij. ‘Dat is niet genoeg, maar het is een begin. Dat is wat de bewuste mens zou moeten uitdragen.’

In het Limburgse restaurant kreeg ik al snel spijt van mijn keuze. Zelden waren er zulke groteske hompen vlees aan me voorgeschoteld. Na centimeters hoog opgestapelde plakken carpaccio volgden dikke tonijnsteaks en reusachtige karbonades. Biologisch of niet, ik kreeg het met de beste wil van de wereld niet weg. Ook aan mijn volgestouwde disgenoten kon ik de restanten niet kwijt. De blonde ober nam mijn borden halfleeg weer terug. Die arme beestjes: hun billen en dijen verdwenen eerloos in de vuilnisbak. Misschien moet ik toch maar vegetariër worden.

 

Dit artikel verscheen 2 juni 2012 in Vrij Nederland.

07/06/2012

Leave a Reply