In 2009, toen de recessie net op volle toeren kwam, verscheen Chris Anderson met een boekje genaamd Free. In dat boekje deed de redacteur van het beroemde technologietijdschrift Wired een aantal aantrekkelijke voorspellingen voor de eenentwintigste eeuw. Die zou gekenmerkt worden door een nieuw soort gratis. De nieuwe economie is er een van bits in plaats van atomen, was zijn idee, en dat maakt dat de distributiekosten van heel veel zaken op het nulpunt afstevenen. ‘Mensen verdienen bakken met geld zonder iets voor hun producten te rekenen,’ stelde Anderson, en gaf als voorbeeld online diensten als Facebook en Google. ‘Wikipedia kost helemaal niets.’ Andersons ‘nieuwe gratis’ zat vol ogenschijnlijke, maar heerlijke tegenstrijdigeden: ‘Je kan geld verdienen door dingen weg te geven. Er is zoiets als een gratis lunch. Soms krijg je meer dan waar je voor betaalt.’

Free werd een internationale bestseller. ‘Chris Anderson heeft zijn vinger gelegd op the next big thing,’ zei Eric Schmidt, de CEO van Google. Het boek staat op de plank tussen het pop-economieboek Freakonomics en Jeff Jarvis’ What Would Google Do?, waarin Jarvis Anderson herhaaldelijk citeert en zelf proclameert: ‘De meest efficiënte marktplaats is een gratis marktplaats. Geld zit in de weg.’ Dat Anderson ervan werd beschuldigd inhoud van Wikipedia te hebben geplagieerd, mocht de pret niet drukken.

Illustraties: Ingrid de Lugt
Illustraties: Ingrid de Lugt

Dit nieuwe gratis was overigens in het decennium voorafgaand aan Free al in opkomst. ‘Information wants to be free!’ riepen voorstanders. Hun mantra was gebaseerd op een uitspraak uit 1984, van technologie-schrijver Stewart Brand. Wie het daar niet mee eens was, vond men, die snapte het internet gewoon niet. In 2000 werd Lars Ulrich, de drummer van heavy metal-band Metallica, een gierige cyber-smeris genoemd omdat hij file sharing service Napster aanklaagde. De paywall die de New York Times in 2005 op zijn site installeerde, waardoor lezers moesten betalen om artikelen te lezen, werd rijkelijk bespot en twee jaar later afgeschaft. En in Nederland werd er hardop gezucht bij iedere anti-downloadreclame van Brein, waarmee, bleek onlangs, de anti-piraterij organisatie zelf het copyright had geschonden van de gebruikte muziek. Geld vragen voor wat je online kon krijgen was, kortom, überhaupt al niet zo cool.

Dat was in de jaren negentig, toen pubers geen plaatjes mochten voorbeluisteren in de winkel – kleine dieven dat het waren – wel anders. Voor mijn eerste CD met gratis verkregen liedjes betaalde ik toen zeventien gulden vijftig. De grote broer van een schoolvriendinnetje had het illegaal downloaden al in de vingers en maakte er een lucratief bedrijfje van. Van een lijst liedjes op drie A4’tjes mocht ik er een stuk of vijftien kiezen. Die brandde hij dan op een schijfje en maakte als extraatje met zijn kleurenprinter een mooi hoesje, met een titel naar keuze. In overleg met de vriendin in kwestie kreeg het plaatje de bespottelijke naam Cow and Chicken, naar onze toenmalige favoriete animatiekomedie.

Tegen de tijd dat Andersons boek uitkwam had ik reeds enkele jaren een iPod, een kleine rode van het type nano. Daarmee vergrootte ik mijn beperkte muziekkennis met honderden liedjes die ik kosteloos van mijn vriendjes laptop naar de mijne kopieerde. Ik kende mijn weg naar de bekende downloadsites en mijn internetverbinding werd steeds sneller. Dat kwam goed van pas toen ik voor mijn afstudeeronderzoek Italiaanse B-films uit de jaren zeventig moest hebben, want die waren online beter te vinden dan in een winkel. De stap naar het aftappen van filmklassiekers was klein, en blockbusters en filmhuispareltjes volgden snel. De droom van een eigen beamer was mijn verjaardag daarvoor in vervulling gegaan, en met de ontdekking van HBO-serie The Wire was het hek van de dam. Op hoge snelheid brandde mijn beamer op aan gratis kwaliteitsvermaak.

Ik hoefde ook geen kranten of tijdschriften meer te kopen, want online was er genoeg te lezen. En niet alleen vluchtig nieuws van laag allooi. Met grote gulzigheid laafde ik me aan artikelen van de New Yorker, The Atlantic, de paywall-vrije New York Times (al is die betaalmuur inmiddels weer ingesteld) en de Huffington Post (die online-krant waarvan de helft van haar content gebaseerd is op die van andere kranten en die haar schrijvend personeel niet betaalt). Net als de meeste mensen om me heen freewheelde ik me een weg door het leven. Last van mijn geweten had ik allerminst. De recessie had eventuele zelfreflecterende bezwaren vertroebeld, het gewicht van mijn portemonnee was nu eenmaal belangrijker dan dat ethische dillemma. En als buffer had ik altijd die populaire kreet in mijn achterhoofd: Information wants to be free.

Ik was een freetard geworden: een overtuigd gebruiker van kosteloze producten. Een gratis-imbeciel (free + retard = freetard), die gratis deed waar gratis kon, en betalen eigenlijk maar achterhaald vond. Dat kreeg ik zelf pas door toen ik een nog veel grotere freetard ontmoette, tijdens een lift door Duitsland. Negen uur lang stond ik in de file met een jongen met ongewassen kleren en een hoofd vol dreadlocks die bijna nergens een euro voor neerlegde: hij woonde in een kraakpand, liftte naar waar hij heen moest en bracht nachten in het buitenland door op de banken en logeerkamers van anderen. Onderweg kreeg hij krentenbollen en tankstation-koffie toegestopt van zijn medereizigers. Mijn plan om met de trein terug naar Nederland te reizen vond hij maar decadent. Zo werd mijn levensinstelling tussen de regels door aan de tand gevoeld: leefde ik wel gratis genoeg, in deze tijden van crisis?

Illustraties: Ingrid de Lugt
Illustraties: Ingrid de Lugt

Pas toen mijn reismaatje en ik ‘s avonds laat door diezelfde freetard in een Berlijnse buitenwijk werden gedumpt (hij was bij uitzondering degene die de lift gaf, in een geleende auto) met het verzoek voor de gebruikte benzine te betalen, zag ik de dubbele moraal van de freetard: Gratis was zijn ideologie, maar dat iemand anders dan moest betalen voor zijn reis, lunch of het vakantiedak boven zijn vervilte haren, besloot hij over het hoofd te zien. Daarmee had hij een belangrijk deel uit de rekensom weggelaten.

Dat is ook het argument waarmee journalist Robert Levine protesteert tegen het free van Anderson en aanhangers. In zijn betoog Free Ride, dat in 2011 uitkwam, richt hij zich vooral op de gevolgen van de heersende gratis-mentaliteit voor de culturele industrie. Internet heeft er inderdaad toe geleid dat de distributiekosten van nieuws, muziek en films steeds lager worden, zegt Levine, maar ‘that’s the medium, not the message.’ Er zijn nog steeds journalisten nodig om een goed verhaal te schrijven, en muzikanten om de liedjes in je iTunes-lijst te maken. Die vijftien euro die je ooit voor een CD betaalde was niet alleen voor het schijfje zelf. ‘We hebben een informatie-economie gecreëerd waarin het haast onmogelijk is om informatie te verkopen,’ stelt Levine. ‘Dit is niet gezond voor onze cultuur, of voor de economie.’ Hij herinnert er bovendien aan dat Stewart Brands populaire citaat door freetards grof wordt misbruikt, want ‘information wants to be free’ is slechts de helft ervan. De zinsnede werd in 1984 vooraf gegaan door ‘information wants to be expensive, because it’s so valuable.’

Nu is Levine als journalist niet echt onpartijdig, erkent hij zelf, maar hij wijst erop dat bedrijven als Google dat ook niet zijn. Natuurlijk prijst Eric Schmidt Free aan als the next big thing: Google verdient aan dat gratis-model. Hun videodienst YouTube, bijvoorbeeld, haalt advertentie-inkomsten uit de vertoning van filmpjes zonder in de makers hoeven te investeren. Zij krijgen wat Levine noemt a free ride, een gratis ritje. Maar iemand moet betalen om die producten te maken. Levine bestempelt het als ‘digitaal feodalisme’: ‘We denken dat wij YouTube gebruiken, maar YouTube gebruikt ons.’ Het nieuwe gratis is helemaal niet zo gratis.

In de crisis zijn veel meer bedrijven dan alleen de digitale molochs op zoek naar een free ride. De zucht naar gratis is groot, en de opvatting klinkt: eerst maar eens gratis, wie weet dat je er later iets voor krijgt. Dat merken sollicitanten die van hun ideeën worden gemolken nog voordat ze ergens mogen werken, en 45-plussers die niet vreemd moeten opkijken van het fenomeen ‘onbetaalde proefdag’. Creatievelingen wereldwijd zijn onderworpen aan een stevige opmars van de pitch, of doen klusjes met als enige beloning dat ze ‘bekendheid opdoen’, hun ‘CV oppoetsen’, of gewoon ‘een mooie ervaring’. Zoals Levine het zegt: het is als Tom Sawyer die zijn vrienden ervan overtuigt dat het leuk is om het hek te verven.

De makkelijkste gratis arbeid halen bedrijven bij de ‘professionele stagiar’. Die jonge, afgestudeerde man of vrouw die tegen een extreem laag danwel niet-bestaand maandelijks loon aan de slag gaat in de hoop op een dag in de niet al te verre toekomst wél betaald te worden voor zijn of haar werk. Sommigen van hen doen zelfs een aaneengesloten reeks stages. Dat zijn de zogeheten serial interns, of seriestagiairs – een internationaal fenomeen. Een telefoontje naar stagebemiddelaar StudentenBureau leert dat de gediplomeerde stagiar ook in Nederland in opkomst is, vooral onder universitair geschoolden: ‘Vaak wordt een fulltime functie opgeheven en komt daar een stage voor in de plaats.’ Allemaal mensen die zelf betalen voor het werk dat zij doen, waarschijnlijk met zuurgespaarde centen.

Illustratie: Ingrid de Lugt

Wat al die gratis arbeid doet voor de kwaliteit van een professie valt te raden. Andrew Keen lichtte wat de journalistiek betreft in 2007 al vast een tipje van de sluier op in zijn boek The Cult of the Amateur. ‘Het is geen toeval dat tegelijk met de opkomst van The Huffington Post, die mensen aanmoedigt hun content gratis weg te geven, er banen verdwijnen en de professionele journalist uitsterft.’ Robert Levine voorspelt een ‘culturele woestenij’: een wereld waar muziek, televisie en journalistiek praktisch gratis zijn, en waar ‘we allemaal krijgen waar we voor betalen.’

Levine en Keen zijn overigens niet de enigen die zich tegen de gratis-cultus verzetten. In mei van dit jaar verscheen in Time Magazine een geruchtmakend verhaal over Diana Wang. Deze 28-jarige seriestagiaire klaagde haar werkgever Hearst Corporation aan, omdat haar onbetaalde stage een verkapte fulltime-functie was, en nog een vervelende ook. En op de opiniepagina’s van de Nederlandse kranten werd in december gedebatteerd over de gevolgen van gratis nieuwsconsumptie.

No man but a blockhead ever wrote except for money,’ zou de Engelse schrijver Samuel Johnson ooit hebben gezegd. Dat begin ik eindelijk te snappen. Nu de andere freetards nog.

 

Dit artikel verscheen 2 februari 2013 in Vrij Nederland

02/02/2013

Leave a Reply