indies

Er ligt een Fantastic Man op mijn koffietafel, het meest recente nummer. Het tijdschrift is groot en dik en luxe. Binnenin staan fantastische mannen: succesvolle kunstenaars, professors, dansers. Acteur John Malkovich raadt lezers een tripje naar het Caribische eiland Anguilla aan, een model doet de voorjaarsschoonmaak in een witte broek van Bottega Veneta en leren Prada-sandalen. Niet de meest voor de hand liggende taferelen in deze door crisis geplaagde tijden. Maar er is iets onweerstaanbaars aan het blad, dat acht jaar bestaat en waarvan de oplage is gegroeid van in de 20.000 naar 82.000.

Vanaf bladzijde 194 staat een artikel over Apartamento, een magazine op roman-formaat met realistisch gefotografeerde yuppie-interieurs. Ik ken het boekje, af en toe blader ik het gulzig door, van voor naar achter en weer terug. Het ligt thuis naast Fantastic Man en diens zusterblad The Gentlewoman. Die drie bladen, lees ik in het artikel, behoren tot de bestsellers van de Londense boekwinkel Magma. Volgens eigenaar Marc Valli zijn de populairste producten in zijn winkel magazines, geen boeken.

Hij zal daarmee niet de zogeheten publieksbladen of bekende glossy’s bedoelen, die oplages hollen bijna net zo hard achteruit als die van de kranten. De titels die Valli noemt – naast Apartamento ook Monocle en zijn eigen Elephant – zijn independent magazines, of indies: onafhankelijke tijdschriften. Niet te verwarren met ‘zines’, die anti-commerciële gefotokopieerde blaadjes. Indies zitten tussen zines en mainstream tijdschriften in: gemaakt voor de verkoop, meestal met advertenties, maar zonder zich aan te passen aan de adverteerder. Ze zijn doorgaans gericht op creatief, onafhankelijk werk in bijvoorbeeld mode, design, fotografie en architectuur.

 

indiemags2

Om te bewaren

Bij het Nieuwscentrum van boekhandel Athe­naeum op het Amsterdamse Spui liggen zo’n 200 à 250 indie-titels. Met de voorspelde dood van het geprinte tijdschrift in het achterhoofd lijkt dat nogal veel, en wie langs de stapels loopt, kan zich afvragen hoe al die blaadjes in godsnaam verkocht raken. Maar de markt is goed. ‘Sommige indie magazines zijn de publieksbladen van de toekomst,’ legt winkelchef Guus Thijssen uit. ‘Die zijn interessant voor distributeurs die de verkoop van hun reguliere bladen zien teruglopen en worden snel in distributie genomen.’ Andere blaadjes bedienen een nichemarkt en liggen bij Athenaeum omdat ze baat hebben bij een fijnmazige distributie. Er kleeft een schaarstegevoel aan dat aantrekkelijk is voor de verkoop. ‘Het tijdschrift is eigenlijk een ouderwets medium,’ zegt Thijssen, ‘maar je zou kunnen zeggen dat er juist daardoor een opleving van de bladencultuur is. Net als bij vinyl.’

En net als vinyl is zo’n tijdschrift een fijn hebbeding. ‘Mensen kopen deze magazines voor hun plezier. En om te bewaren,’ zegt Marc Valli daarover. ‘Ze zijn het intellectuele equivalent van gebak.’

Independents zijn mooie boekjes, geen wegwerpbladen, met bladzijden van luxe papier: dik, mat en aaibaar. Als je de stevige pagina’s door de vingers laat glijden, maken ze een dof geluid – eerder geplof dan geritsel – en waait de aangename geur van inkt je neus in. De paginavullende fotografie is hoogstaand, de illustraties en infographics zijn kunstwerkjes. Lettertypen zijn zorgvuldig geselecteerd, de teksten prikkelen de geest. Alles wat erin staat is begeerlijk, en de boekjes zelf liggen verdomd mooi in de kast. Of op de koffietafel.

‘Het verschil tussen lezen in een magazine of op het internet is als het verschil tussen je eten kopen in een restaurant of een supermarkt’

‘Een indie magazine is een mooi object,’ zegt Gert Jonkers. In 2005 introduceerde hij met Jop van Benne­kom Fantastic Man, eigenlijk omdat ze zelf een goed mannenblad misten. ‘We waren wel geïnteresseerd in mode of stijl, maar de bladen die daarover gingen, waren productcatalogi en spraken de lezer aan als consument. Wij wilden de lezer serieus nemen.’ Eerder maakte het duo al homotijdschrift Butt, later kwam The Gentlewoman (huidige oplage 89.000). En bij alledrie bleek: je kan wel degelijk een succesvol magazine hebben ‘zonder die clichématige benadering van de lezer’. Ook nu mensen hun hand op de knip houden? ‘Misschien juist wel. Voor ons en veel andere bladen geldt dat we een specifieke toon hebben en een afgebakend gebied proberen te behandelen. Dat is interessanter om je geld aan uit te geven dan een blad dat zomaar wat behandelt, in de hoop dat het blijft hangen. Je krijgt een inkijkje in een bepaalde wereld. Soms gaat het om een heel klein wereldje, zoals bij Kinfolk, maar dat is dan ook heel intiem.’ En ja, dat kan ook op internet. Maar, zegt Jonkers, ‘het verschil tussen lezen in een magazine of op het internet is als het verschil tussen je eten kopen in een restaurant of een supermarkt.’
Dat niet alleen het lezen van zo’n magazine een aantrekkelijke ervaring is, maar ook het maken ervan – en dat dat wellicht een verklaring is voor het grote aantal indie magazines – geeft Jonkers onmiddellijk toe. ‘Absoluut. Het proces is minstens even boeiend als het eindproduct. Je hebt een bepaalde pet op waarmee je allerlei gekke dingen kan doen.’indiemags3

Knip- en plakwerk

Dat plezier is aanstekelijk, want er wordt een hoop geïmiteerd. Neem Little White Lies, een blad voor filmliefhebbers dat sinds 2005 bestaat en tot de mooiste indies behoort. Van elk tweemaandelijks issue staan inhoud en design in het teken van een film, met op de cover een illustratie van de hoofdrolspeler. Begin dit jaar verscheen Yippee Ki-Yay!, met precies dezelfde beeldtaal en voor precies dezelfde filmliefhebber. Het thema van het eerste nummer was Die Hard, op de cover stond een illustratie van Bruce Willis en de lettertypen leken knip- en plakwerk uit een Little White Lies. Gert Jonkers ziet het wel vaker. ‘Toen wij met Butt begonnen, kwamen snel daarna een paar bladen die daar heel duidelijk op geïnspireerd waren. En laatst zag ik in de Berlijnse winkel Do You Read Me?! wel zestien magazines over eten staan. Een hele plank vol eerste en tweede nummers. Uit verschillende landen, maar wel allemaal hetzelfde. Dat is enerzijds schaamteloos en geeft anderzijds blijk van een groot enthousiasme.’Het zou voor de makers makkelijker en goedkoper zijn geweest om dat enthousiasme online te ventileren. Want opvallend genoeg worden de meeste blaadjes juist gemaakt door digital natives, de generatie die is opgegroeid met internet. De Australische wetenschapster Megan le Masurier deed onderzoek naar independent magazines en stelde dat er altijd naar internet wordt gewezen als men het heeft over de democratisering van mediaproductie. Immers, dankzij YouTube, Tumblr en Twitter kunnen we allemaal uitgevers zijn. Maar nieuwe technieken hebben ook de productie van papieren media gedemocratiseerd. Het is tegenwoordig bijvoorbeeld heel makkelijk om tijdschriften per stuk te laten drukken, tegen lage kosten. Volgens Le Masurier zijn dit soort bladen een bewust antwoord op wat digitale magazines niet kunnen bieden: materieel plezier, en de lol van wat ze noemt ‘slow media’. Indies komen vaak onregelmatig uit en zijn niet afhankelijk van een ‘kunstmatige deadline’, maar verschijnen als er genoeg moois is verzameld om te presenteren.

Kijk op de wereld

De meeste independent magazines is een kort leven beschoren. Zo ook O.K. Periodicals. Dat magazine van Nederlandse makelij leerde ik kennen bij het zevende nummer, dat ter ere van het thema ‘Thriller’ een geluidschip in het midden had waaruit Michael Jacksons gelijknamige deuntje klonk. Een inventief blaadje, waarvan helaas de daaropvolgende editie al de laatste was. Niet dat het zo slecht liep, vertelt mede-oprichter en -hoofdredacteur William van Giessen. ‘Bij elk nummer hebben we de volledige drukkosten terugverdiend met de opbrengst van het blad, met een beetje over om bij het volgende nummer te experimenteren. Het kostte ons alleen de uren die we erin staken.’

Van Giessen en zakenpartner Joost van der Steen wilden vanuit hun ontwerppraktijk O.K. Parking een magazine maken om een platform te bieden aan wat de creatieven in hun netwerk maakten. Daar hadden ze al een blog voor, maar ‘een blog is morgen al oud nieuws, met het tijdschrift wilden we iets tijdloos creëren.’ Ze plaatsten een oproep voor bijdragen en kregen meteen veel aanmeldingen. Met de inzendingen voor het eerste nummer konden ze 120 pagina’s vullen, het dubbele van wat ze hadden verwacht, en 1500 exemplaren drukken die wereldwijd werden verspreid, van de VS tot Australië en Nieuw-Zeeland. ‘Het ging allemaal heel goed, en iedereen werkte belangeloos mee. Maar het betekende veel regelwerk en mensen achter hun broek aan zitten. Als we hadden willen doorgaan, zou het een voltijdbaan zijn geworden. En dat betekende minder tijd voor wat wij leuk vonden: ontwerpen maken.’

Van Giessen en Van der Steen organiseren nog wel Facing Pages, een tweejaarlijks internationaal festival voor makers en liefhebbers van onafhankelijke tijdschriften, dat door zo’n 1500 mensen wordt bezocht. ‘Omdat we een podium willen bieden aan indie magazines. Elk blad toont een eigen kijk op de wereld, het is leuk om die visies samen te brengen. Ze komen elkaar niet tegen in de Bruna.’

Voor de meeste makers is een eigen magazine ‘een liefdesproject’, zegt Van Giessen. ‘En uit sommige projecten, zoals Little White Lies, is een heel bedrijf gebouwd.’ Dat maakt ze overigens niet minder independent, vindt Gert Jonkers.Fantastic Man en The Gentle­woman worden verspreid door een grote distributeur, verschijnen regelmatig en kunnen in die zin ‘established’ worden genoemd. ‘Maar we zijn nog steeds onafhankelijk. We hebben altijd geprobeerd het blad te maken dat we zelf willen lezen, en gaan nog steeds heel erg van onszelf uit. Publieks­bladen gaan uit van een format, een idee van lifestyle. Ze kiezen iets en dat is het dan. De GQ-man kan je zo uittekenen.’

Daarin ziet ook Van Giessen het verschil. ‘Een magazine is een expressiemiddel. Gewone tijdschriften hebben de laatste tijd niets nieuws gedaan, die hebben al sinds de jaren vijftig hetzelfde advertentiemodel. Indies experimenteren met vorm, inhoud en concept.’ Dat maakt deze blaadjes aantrekkelijk voor maker én lezer: ‘Er gaat een wereld open voor iedereen die een beetje geïnteresseerd is.’

Instapmodellen

Little White LiesApartamento en The Gentlewoman kent u misschien al. Andere instapmodellen:

Kinfolk

Op de website van Kinfolk staat een manifest: een filmpje van een kanoënd meisje dat aan de oever een groepje mensen aan een tafel vindt. Ze schuift aan en besteedt met hen de avond onder zelfgemaakte lampionnen. Deze ‘guide for small gatherings’ behoort tot de best verkochte bladen van het Nieuwscentrum.

The Travel Almanac

Iedereen is een reiziger in de huidige geglobaliseerde wereld. The Travel Almanac is al even kosmopolitisch als wij, wereldwijze burgers, want de redactie zetelt in New York én Berlijn. Richt zich op de reiservaringen van bekende figuren in de muziek, mode, film en kunst.

The Outpost

Een van die blaadjes waarvan pas anderhalf nummer is uitgekomen, te weten issues 0 en 1. Hopelijk volgen er snel meer, want het gaat over het Midden-Oosten en wordt gemaakt door Arabische jongeren die een heel eigen licht op dat stukje van de wereld werpen. Lange journalistieke verhalen, goede foto’s en mooie infographics zijn kenmerkend voor The Outpost.

Das Magazin

Een Nederlands, jong en ooglijk literair tijdschrift dat je ook Das Mag mag noemen. Verscheen anderhalf jaar geleden voor het eerst met een gecrowdfund nulnummer en heeft nu al een eigen festival. Betaalt auteurs met gesponsorde champagne en vraagt Remco Campert op bierviltjes te schrijven. De website van Das Mag is hier te bekijken.

The Heritage Post

Voor mannen met baarden, knickerbockers en honden, geïllustreerd met potloodtekeningen. Dit ‘Magazin für Herrenkultur’ druipt van de moderne nostalgie, en van woeste doch verzorgde mannelijkheid. Ook leuk voor meisjes, dus. Bekijk de website van The Heritage Post hier.

 

Dit artikel verscheen 1 juni 2013 in Vrij Nederland

17/06/2013

Leave a Reply