Radicale Vernieuwers 2014: Granny’s Finest

5286e84c-770a-43b6-bdcf-c2e8e4a3fcb6_grannies groot

Social enterprise Granny’s Finest is een duurzaam kledingmerk én handwerkclub. Hier haken en breien grootmoeders kleding ontworpen door jonge designers.

De dag voor Koningsnacht is het warm achterin de Utrechtse krachtwijk Overvecht, dus de breiclub is naar buiten verplaatst. Onder de loofbomen in de tuin van woonzorgcentrum ’t Huis aan de Vecht staan tafels waar de meeste deelnemers een kwartier voor aanvang al zijn aangeschoven. Aan de rugleuningen van hun stoelen hangen tassen met hun werk erin.

Niek van Hengel begint net te vertellen over Granny’s Finest, de onderneming die hij met Jip Pulles heeft opgericht, als een van de grannies – witte seniorengympen, dito haar, felblauwe cardigan – hem bij de lurven grijpt. ‘Dit klopt voor geen meter, hoor. Ik heb die col zeshonderd keer uitgehaald, dus ik hoop dat degene komt die mij daar de weg in kan wijzen, want anders kom ik helemaal niet vooruit.’

Van Hengel werpt een blik op het patroon.

‘Nee, eh…’
‘Klote-beschrijving zeg, daar klopt echt hélemaal niets van. Of mag ik dat niet zeggen?’

‘Jawel, hoor. Maar Channa, dat is de ontwerpster, is er niet vandaag.’

Granny’s Finest is duurzaam kledingmerk en handwerkclub tegelijk. De ‘social enterprise’ brengt breisels en haaksels op de markt die zijn ontworpen door jonge designers en gemaakt door grootmoeders. Die kunnen waar jongeren nog maar weinig van bakken: handwerken. Een mooie weg uit het isolement waar veel ouderen in zitten, want in plaats van achter de geraniums worden ze ‘in hun kracht gezet’, zoals Van Hengel dat noemt.

‘Hipsters dragen mutsjes, maar die moeten wel gemaakt worden,’ zegt de jonge ondernemer. ‘Heel vaak gebeurt dat helemaal aan de andere kant van de wereld in omstandigheden die niet iedereen kent, terwijl je hier in Nederland heel veel mensen hebt die dat goed kunnen en ontzettend leuk vinden.’

Daar kwam hij een jaar of drie geleden achter toen hij zijn grootvader opzocht in het verzorgingstehuis. Van Hengel liep er tegen een fanatiek breiend vrouwtje aan dat nog niet wist wat ze zou maken of voor wie. Familie of vrienden om iets aan te geven had ze niet echt. Het voorval bleef Van Hengel bij en hij vertelde Jip Pulles erover, die op dat moment nog de studie Small Business en Retail Management – waar de twee elkaar van kennen – moest afronden.

Pulles maakte van de anekdote zijn afstudeerproject: hij onderzocht of er een markt was voor gebreide producten met een verhaal, en of er genoeg oma’s bereid waren om die te maken (conclusie: ja). Vervolgens deden de jongens met het plan voor Granny’s Finest 
mee aan een ondernemerswedstrijd, en kort daarna was de succesvolle pilot een feit.

Puha – aan de Voorstraat, een kilometer of drie van ’t Huis aan de Vecht – is een van de tien boetieks waar de oversized sjaals, wollige ceintuurs en kleurige vlinderdasjes van Granny’s Finest worden verkocht. Eigenaar Tamara Karsdorp werd al eens gebeld door een van de oma’s: ‘Ik zit hier te breien maar ik kom er niet uit, kun je me even helpen?’

Een onbekend breipatroon over de telefoon uitleggen ging een beetje lastig, maar het schetst voor Karsdorp wel wat er zo speciaal is aan het kledingmerk. ‘De lijn tussen consument en maker is zó kort. De oma’s komen hier zelfs af en toe binnenlopen om eigenhandig de kwaliteit even te controleren.’

De grannies krijgen niet betaald voor hun werk. Maar, zegt Niek van Hengel, ‘dat er gewoon geld is om activiteiten mogelijk te maken, is al heel waardevol. Over het algemeen is geld ook niet waar ouderen gebrek aan hebben, maar aandacht en een leuke dagbesteding. Wij zorgen dat het de clubs aan niets ontbreekt en organiseren ook activiteiten buiten het breien om. Gister was ik nog een dagje naar Boijmans Van Beuningen met de Rotterdamse club. Plus: het is heel laagdrempelig, ze kunnen gewoon aansluiten wanneer het uitkomt.’

Aan de kop van de breitafel wordt een dame in rolstoel geparkeerd. Ze stuurt een paar opmerkingen de groep in waar niemand echt aandacht aan besteedt. De granny in de blauwe cardigan drukt haar peukje uit en schiet te hulp. ‘Zij trekt alles uit,’ becommentarieert haar vriendin. ‘Dan moeten ze het maar goed doen,’ vindt de krasse tante. Plots welt er een ‘lang zal ze leven’ op, want een van de vrijwilligsters is morgen jarig.

Er wordt wat geroddeld en gekletst: die kan de tunische haaksteek, die heeft mooie pennen. En er schijnt hier een vrouw te komen die wel zes mutsen per week doet, maar die is al twee weken niet geweest. Lang niet alle breisters wonen hier, trouwens. De meeste komen van elders in de wijk, eentje zit er ‘in de aanleun’. Het woonzorgcentrum heeft de oma’s namens Granny’s Finest benaderd en regelt thee, koekjes en vrijwilligers. Sommige grannies komen bij elkaar thuis over de vloer, maar dan wordt er maar weinig geproduceerd. Want tja, praten en breien gaan niet samen. 

Niet dat het hier zo’n dooie boel is: als de club tegen drieën op zijn einde loopt, maakt niemand aanstalten de zoele tuin te verlaten. Begeleider Jeroen vraagt of hij een wijntje zal opentrekken. Die had hij – vooruitziende blik – vast koud gezet.

Dit artikel verscheen 6 juni 2014 in Vrij Nederland.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *