De onweerstaanbare kracht van de start-up

Start-ups zijn overal. Waarom eigenlijk? En worden ze ooit volwassen?

NIEUWE ECONOMIE Wie aan start-ups denkt, denkt aan miljardeninvesteringen, de glooiende heuvels van Silicon Valley en hippe kantoren met zitzakken. Maar klopt dat beeld wel?

start up

Vorige zomer verscheen er een artikel in technologieblad Wired over het uitputtende leven in het ecosysteem van Silicon Valley. Het tijdschrift volgde daarvoor Boomtrain, een marketing-start-up van ongeveer een jaar oud. Wired schetste de slapeloze nachten van de twee oprichters, de hoofdbrekens, de schulden, de zenuwziekte. Om geld uit te sparen verhuurden ze hun eigen huis via Airbnb en logeerden ze bij vrienden, een uur verderop. Ze reisden van pitch naar fondsenwerving, waren in jaren niet op vakantie geweest en hadden in maanden niet aan hun product kunnen werken omdat ze al hun tijd spendeerden aan het bijeenschrapen van investeringen, overgeleverd aan de grillen van geldschieters. Een van de Boomtrain-jongens, schreef de auteur, zag er inmiddels uit als de verwilderde broer van zijn golden retriever.

Hoe anders is het heersende lekkerbekkenbeeld van de start-up. Een onweerstaanbaar plaatje van glooiende heuvels en zonneschijn, van frisse jongelingen die de toekomst programmeren op geraffineerde apparaten, onderwijl tevreden rondpedalend op een fixie. Een wereld vol potentie en dynamiek, waarin mensen getalenteerd zijn en ambitieus en moeiteloos de wereld veranderen. Waar voortdurend het ene Instagram na het andere Uber ontspruit, en je als je niet oplet pardoes struikelt over een miljardeninvestering.

Goudkoorts en unicorns

Je kunt er niet omheen: de start-up is de kenmerkende bedrijfsvorm van deze tijd. Tik ‘start-up’ in op Twitter en in luttele minuten verschijnen er 350 nieuwe hits op je scherm. Mensen hebben geen bedrijven meer, geen webshops of werkplaatsen. Ze hebben start-ups, en elke keer dat ze het s-woord uitspreken dwarrelt er op de achtergrond wat sterrenstof. Om meisjes te versieren heb je geen band nodig maar een start-up, en noem je jezelf CEO in plaats van gitarist.

De huidige situatie in Silicon Valley doet denken aan een gold rush: zoals er halverwege de negentiende eeuw een run was op goud, is er vandaag de dag een hysterische run op nieuwe technologische uitvindingen, wederom met San Francisco als hoofdstad. Toch weet maar een klein gedeelte van de start-ups zich staande te houden. Slechts een enkeling maakt een écht grote klapper — de zogeheten unicorns, bedrijven die een miljard dollar waard zijn of meer. En die kans blijkt voor veel jonge ondernemers een onweerstaanbare verleiding.

Omdat Nederland ook wel een graantje wil meepikken, grijpt de overheid dit momentum aan om Nederland als start-up-land te positioneren. Bijvoorbeeld met het project Startup Delta, dat vorig jaar als onderdeel van het zogenoemde ‘Actieplan Ambitieus Ondernemerschap’ door het kabinet werd gepresenteerd. Voormalig eurocommissaris Neelie Kroes is aangesteld als start-up-ambassadeur: zij moet van Nederland de derde start-up-hub van Europa maken, na Berlijn en Londen. Het project is gevestigd op het voormalige Marineterrein in Amsterdam en zal qua opzet lijken op de Factory in Berlijn: een groot complex waarin start-ups, coaches en investeerders zijn gehuisvest.

Was ondernemen vroeger voorbehouden aan een specifiek soort mens – echte entrepreneurs, halve gekken, grote denkers, megalomane dromers en opgeschoten heertjes – nu zal Kroes weinig moeite hebben om ‘ondernemers’ te vinden voor haar project. Want wie een beetje ambitieus is, verkiest de achtbaan van een start-up boven wegteren in een stoffige kantoorbaan. Ondernemen is een voor de hand liggend carrièrepad geworden dat blijk geeft van durf: een uitgelezen wandel naar hip heldendom.

Dit is misschien een wat kinderlijke benadering van het ondernemerschap, maar wel een die deze cultuur prima past. Kijk maar eens goed naar de esthetiek van de start-up: grote infantiele logo’s, zoetsappige websites en namen die klinken als speelgoed (Boomtrain, Etsy, Tumblr, Google). Start-ups houden kantoor in garages, ingericht met felgekleurde meubels, glijbanen, tafelvoetbalspellen en Lego. Werknemers lopen op sokken of slippers. Ze dragen hoodies en hangen in zitzakken, spelen Fifa en Mariokart.

Apps om ‘bro!’ naar elkaar te roepen

Mike Judge, maker van Beavis and Butthead en in de jaren negentig zelf betrokken bij een start-up, weet die kinderlijkheid treffend uit te beelden in zijn HBO-komedie Silicon Valley, over zes jongens die een start-up beginnen in het befaamde Californische gebied. De start-uppers wonen samen in een ‘hacker hostel’, een soort studentenhuis met hoogslapers en rommelige bureautjes. Ze investeren in apps om ‘bro!’ naar elkaar te roepen en worden zelf gefinancierd door een miljardair. Voor een presentatie op de jaarlijkse TechCrunch-conferentie berekenen ze hoe snel een van hen alle mannen in de zaal zou kunnen aftrekken. De intro van elke aflevering is een animatie van een soort Madurodam-Silicon Valley, met veel kleurtjes, grasvelden, logo’s en ballonnen.

Die jeugdigheid is deels natuurlijk inherent aan de bedrijfsvorm. In brede zin is een start-up gewoon een pas opgezet bedrijf, maar in smalle zin gaat het om een heel nieuw soort onderneming. Eentje die een nieuwe markt verkent en/of een nieuw businessmodel poneert om een oude markt te ontwrichten. De klant moet nog binnengehaald worden (denk aan Facebook, ooit een dienst die we helemaal niet nodig dachten te hebben). Of wordt weggelokt bij een oud product (zoals Uber doet met taxi’s). Zo kan de start-up uiteindelijk een monopolie bewerkstelligen in de zelf gecreëerde markt. ‘Groeien’ is het actieve werkwoord dat hoort bij een start-up. Het maakt niet uit of je groot of succesvol bent, want net als een kind moet je nog groeien. Het draait om de belofte van die groei. Daar wordt in geïnvesteerd.

Beginnen en blijven beginnen

Voor het hebben van een start-up is een soort optimisme nodig dat besloten ligt in de term zelf: start en up, starten en stijgen. Beginnen en blijven beginnen. Het idee: zolang je een start-up hebt, hoef je niet eens winst te maken. Sterker nog, enkele van de bekendste start-ups maken geen winst: Snapchat, Twitter en Instagram zijn miljarden waard, maar verdienen feitelijk niets. Het blijven start-ups, forever young.

Je zou haast denken dat wie zich in start-upsferen begeeft überhaupt niet op hoeft te groeien. Maar dat moet natuurlijk wel. De grote succesverhalen gaan immers niet over degenen die zichzelf aan het einde van de maand een schamel salaris uit kunnen betalen, of die zich ternauwernood staande houden in het verhitte investeringsklimaat van Silicon Valley.

De succesverhalen gaan over moguls als Marc Andreessen, die met zijn start-up Netscape fortuin vergaarde in de dotcomperiode en nu als durfkapitalist de lakens uitdeelt in Silicon Valley. Of over Larry Page en Sergey Brin, die van Google een wereldleidend bedrijf maakten en nu naar believen shoppen bij veelbelovende start-ups, zodat die geen serieuze bedreiging vormen voor hun monopolie.

In het eerder genoemde Wired-artikel wordt beschreven hoe een van de oprichters van Boomtrain jaloers een oude vriend nakijkt wiens bedrijf wél door een van die volwassen spelers is overgenomen en die nu hoog en droog in dienstverband zit — en in een super-de-luxe auto. Hoewel ‘The Valley’ eigenlijk weinig tastbaars voortbrengt, zo beschrijft het artikel, wordt hier „het verbluffende resultaat van enkelen voorgehouden aan jonge mensen, in ruil voor hun tijd, energie, en – tsja, hun jeugd”. Het ergste wat de Boomtrain-jongens kan overkomen, zegt een investeringsexpert, is dat ze financiering krijgen om door te gaan. „Tot nu toe hebben ze maar één jaar verloren.”

Boomtrain bestaat nog. Ze hebben een vrolijke site vol bolletjes, demo’s en plaatjes van jonge mensen. En de veelbelovende zin: ‘We’re hiring’. Blinkende potentie. Ze hebben het nog niet gemaakt, en hebben nog niet gefaald. Ze kunnen nog groeien en ze kunnen nog kapotgaan, en voor het zover is zullen ze nog heel hard moeten werken. Ze zijn wat je noemt: een start-up. Je kunt je afvragen hoe blij de oprichters daarmee zijn.

Dit artikel verscheen 23 september 2015 in nrc.next.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *