Broedplaatsen – Wordt ‘t nog wat, met die betere wereld?

‘GAAT DIT DE WERELD VERANDEREN?’ vragen we in elke aflevering van de rubriek ‘De broedplaats’ aan de initiatiefnemers die met keverplastic, afvalmode, misvormde groente en ga zo maar door de problemen van deze tijd proberen te tackelen. Een tussenstand.

Schermafbeelding 2016-04-29 om 22.09.58

DE WERELD VERBETEREN IS GEEN SINECURE. Ontwerper Aagje Hoekstra pelt zelf de kevers waar ze bioplastic van maakt: 2.500 beestjes voor een stukje van vijftig gram, of tien bij tien centimeter. Met de hand duurt dat tien uur. Daarna moeten de schillen nog in een chemisch laboratorium worden behandeld met stoffen, verwarmd in een glazen kolf, geroteerd, schoongespoeld en samengeperst.

Om er überhaupt achter te komen hoe ze van insecten een goed alternatief voor plastic kon maken, kweekte ze eerst insecten in haar studentenkamer, riep ze de hulp in van een chemicus en experimenteerde ze een half jaar in een laboratorium. Het pellen gaat inmiddels machinaal, maar het zal nog lang duren voor het insectenplastic op zo’n schaal geproduceerd kan worden dat er biologisch afbreekbare vloeren en muren van kunnen worden gemaakt: het uiteindelijke doel.

‘Gaat dit de wereld veranderen?’ vragen we in elke editie van De broedplaats. Om de potentie van een project aan te tonen, maar ook omdat het een reële vraag is: heeft de wereld werkelijk iets aan dit idee? De rubriek staat sinds de zomer van 2014 wekelijks in Vrij Nederland om een idee uit te lichten dat ‘een mogelijk antwoord is op de problemen van deze tijd’: duurzame vleesvervangers, slimme afvalhergebruikers, open source boerderijen, dat soort zaken. Sommige broedplaatsen tackelen een sociaal probleem, veel van hen richten zich op de duurzaamheidskwestie, en de meeste doen iets met de voedselketen. De eindredactie wordt een beetje moe van al die ‘CO2’, ‘duurzaamheid’ en ‘circulariteit’ en het is hard werken om het woord voedsel (meestal in de context van: verspilling) niet te vaak te gebruiken, of plastic (als in: -soep), of afval (als in: -berg).

Het gros van de broedplaatsen komt van mijn generatie, de millennials, met een eigen kijk op de wereld die niet zelden is getekend door de crisis. Hun ideeën zijn vaak vernieuwend en moedig, maar hun projecten kleinschalig. Waardoor zich steeds die vraag weer opdringt: gaat dit nu echt de wereld veranderen?

GLOEIENDE PLAAT

Neem alleen al de duurzaamheidsberichtgeving van de laatste tijd: september was de maand van het Volkswagen-schandaal, toen werd ontdekt dat het Duitse automerk sjoemelde op emissietesten dankzij slimme software. Vervolgens bleek het ene na het andere automerk hetzelfde te doen, en koelkastfabrikanten eigenlijk ook. Begin oktober publiceerde The Guardian een onderzoek van klimaatexperts dat concludeerde dat de internationaal toegezegde terugdringing van broeikasgassen no way genoeg zal zijn om opwarming van de aarde tegen te gaan. En vorige week bleek uit de jaarlijkse Stroomranking – een vergelijking van stroomleveranciers op duurzaamheid – dat Nederland steeds meer elektriciteit opwekt in kolencentrales en dus grijzer wordt in plaats van groener.

Zo bekeken zijn die handgepelde insecten nog geen druppel op een gloeiende plaat.

De eerste broedplaats die ik voor Vrij Nederland bezocht, was een naaiatelier boven een Utrechts fietsendepot. Fris en witgeverfd, met doorgezakte leren banken en vintage krukken. Er hingen esthetische werkschema’s met kleurige post-its aan de muur, de rollen katoen waren net geordend en op tafel lagen stapels lichtblauwe spijkerbroeken. In de gang een citaat van Steve Jobs: ‘Why join the navy if you can be a pirate?’

In deze lapjeswereld maakt i-did nieuwe kleding van overtollige producten voor modemerken. Het bedrijf heeft daarvoor mensen in dienst die een grote afstand tot de arbeidsmarkt moeten overbruggen. Sia uit Ghana toonde me trots haar jurk met goudgele print, zelf genaaid, en vertelde me hoe moeilijk het was om als bijstandsmoeder van de bank af te komen en aan de slag te gaan: op tijd opstaan, de bus nemen, structuur aanbrengen in haar leven. Dankzij het i-did-traject had ze een gezond ritme en bouwde ze een cv op.

De broedplaatsers zelf zijn doorgaans meesters in het wegnemen van scepsis over hun potentie om wat te veranderen aan de stand van de wereld. En we stelden hun natuurlijk ook de vraag: is jullie duurzame idee zelf eigenlijk wel duurzaam? ‘Dit gaat nooit voorbij,’ zei Mireille Geijsen, oprichter van i-did, over de duurzame-initiatieven-stroming waar haar bedrijf deel van uitmaakt. ‘Steeds meer mensen zullen het besef krijgen dat ze zo niet met onze grondstoffen kunnen omgaan. Er is straks helemaal niet genoeg katoen meer voor de wereld, we zijn aan het groeien naar negen miljard mensen. We moeten echt veel circulairder gaan denken, en ik ben er heel optimistisch over dat dat steeds meer gebeurt. Het kan niet anders. Daar wil ik gewoon op vertrouwen.’

Zulk stralend en zelfverzekerd optimisme kwam daarna nog heel vaak voorbij.

De initiatiefnemers van Kromkommer, een bedrijfje dat misvormde groenten verkoopt en er soep van maakt, menen dat de Buitenbeentjes van de Albert Heijn (‘groente en fruit die normaliter vanwege hun looks worden afgekeurd, maar niet door ons!’) op hun idee zijn geïnspireerd. Jasper Brommet van StoneCycling, bakstenen van bouw- en industrieel afval, is ervan overtuigd dat zijn bedrijf impact zal hebben. MeattheMushroom verwacht dat hun vleesvervangers van schimmeldraden over vijf jaar in de supermarkt liggen. ‘Dit is het avondland van de oude economie,’ zei Milco Aarts van Soupalicious, dat voor iedere verkochte kom soep er eentje geeft aan iemand die zich geen gezonde maaltijd kan veroorloven. ‘De nieuwe economie gaat om delen.’

EU-PRIVATISERINGSKLASJE

Deze houding is een grote verandering na tweehonderd jaar individualistisch gedachtegoed. Tine de Moor is hoogleraar sociale en economische geschiedenis en doet onderzoek naar burgercollectieven. Volgens De Moor hebben we twee eeuwen kunnen profiteren van de voordelen van economische groei en zijn we in die tijd gaan geloven dat alleen de overheid of het bedrijfsleven de productie van goederen en de levering van diensten kunnen regulieren.

Maar nu bepaalde publieke voorzieningen onbetaalbaar zijn geworden en de vrije markt zichzelf niet naar behoren reguleert, gaan burgers het zelf doen. Na het hoogtij van de individualistische homo economicus is het nu tijd voor de homo reciprocans, die wel zijn eigen belang wil dienen, maar daarvoor samenwerkt en aan de lange termijn denkt.

Nederland blijkt de uitgelezen plek voor dit nieuwe menstype. Dat komt volgens De Moor omdat Nederland altijd een van de beste leerlingen in het EU-privatiseringsklasje is geweest. We voelen hier dus ook al goed de gevolgen van de vastgelopen privatisering.

De homo reciprocans komt volgens De Moor ook niet per se voort uit de economische crisis: ‘Die had hooguit een aanjagend effect. Een groot aantal initiatieven was al voor de crisis in ontwikkeling. Ze komen meer voort uit een gevoel van gebrek aan controle en een behoefte aan eigenaarschap, dat is al veel langer aan de gang. Bijvoorbeeld in de energiesector: die heeft weinig last gehad van de crisis, maar mensen voelen zich niet meer zeker over de oorsprong van de energie.’

Het verhaal van broedplaats Tegenstroom, een BV zonder winstoogmerk die buurten in Haarlemmermeer van zonnepanelen voorziet, onderschrijft die gedachte. ‘Voor mij is het vanuit angst begonnen,’ zei initiatiefnemer Andrea van de Graaf. ‘Nu halen we onze energie van heel ver weg: Saoedi-Arabië, Amerika. Als de landelijke overheid minder afhankelijk wil zijn van Poetin, haalt ze haar energie uit de Verenigde Staten. Maar dan ben je nog steeds afhankelijk, we zouden het zelf moeten oplossen. In Saoedi-Arabië bouwen ze nu kerncentrales, kennelijk houden ze er rekening mee dat ze straks geen olie meer hebben en zorgen ze zelf vast voor een andere energiebron. Ik ben ongerust over onze onafhankelijkheid.’

Veel broedplaatsen komen voort uit een persoonlijke ongerustheid of verontwaardiging. In die zin is de rubriek ook een schets van grote en kleine wereldse problemen; waar mensen mogelijkheden zien, maar ook waar ze zich zorgen over maken. De maker van Susteq, Marten Susebeek, kwam op het idee voor zijn waterpomp met slim chipbetaalsysteem omdat hij met eigen ogen zag hoeveel moeite mensen in Afrika moesten doen voor drinkwater. De Amsterdamse FoodCoop vraag zich af: wat als de supermarkten opeens niet meer bevoorraad kunnen worden?

Van de Graaf van Tegenstroom noemt het ‘het power to the people-verhaal’: mensen willen onafhankelijker zijn, beginnen hun eigen eten te verbouwen, hun elektriciteit van dichtbij te halen, meer te ruilen en lokaal op te lossen.

Maar de power van people is beperkt in het licht van grote bewegingen, grote bedrijven en grote overheden.

Het insectenplastic van Aagje Hoekstra wordt pas een echt interessante oplossing als de vraag naar insecten gaat toenemen, wat Hoekstra door de groeiende populariteit van de consumptie van insecten wel verwacht. Maar dankzij broedplaats Jagran weten we beter. Het bedrijf van Walter Jansen gebruikt vliegen om organische reststromen om te zetten in eiwitten. Zo kan je dierenvoer maken van kippenpoep, bijvoorbeeld. Scheelt enorm veel afval en overbodige landbouw, maar Jansen loopt steeds tegen de wet aan: ‘Die heeft er nooit rekening mee gehouden dat een paar gekke guppen op grote schaal insecten zouden gaan kweken. Daarom zijn er geen regels voor ons. In de beginfase was dat wel prettig, maar nu worden we geremd door onzekerheid over hoe de regelgeving zich gaat ontwikkelen.’ Nu mag hij het alleen in ‘kleine bakjes’ doen, en met kleine bakjes heb je geen impact.

Schermafbeelding 2016-04-29 om 22.21.47

ENORME ONWIL

Het loopt wel vaker stroef. Ontwerpbureau VerdraaidGoed won een grote horecaprijs en veel media-aandacht met de Foodiebag, een nieuwe generatie doggiebag die verspilling in de horeca moest tegengaan. Maar uiteindelijk ligt de uitvinding maar bij honderd van de tienduizend Nederlandse restaurants, omdat weggooien toch makkelijker is.

Het aquaponicssysteem van ‘Uit je eigen stad’ zou zevenhonderd kroppen sla moeten kunnen voortbrengen, maar de eerste was deze lente nog niet geoogst.

En een tijdje terug kregen we een ingezonden brief van Liesbeth Rox van de voedselbank in Utrecht: ‘Ik word een beetje iebelig van die juichverhalen over vernieuwende initiatieven op voedselgebied. Denk aan “Neat to eat” en “Kromkommer”. Wat de initiatiefnemers niet beseffen is dat dit overbodige of imperfecte voedsel voorheen naar voedselbanken werd doorgesluisd. Nu gebeurt dat niet meer met als gevolg dat er steeds minder groentes in de pakketten terechtkomen. Die worden zodoende leger en leger en bieden vooral “funfood” in de vorm van snoep, snacks en frisdrank.’ Daar gaat je goedbedoelde idee.

Deze lezersbrief toont ook aan hoezeer al die initiatieven op zichzelf staan. Kunnen we verwachten dat zij eigenhandig en van onderop effect hebben in the grand scheme of things? Klaas van Egmond, bijzonder hoogleraar milieukunde, mede-initiatiefnemer van het Sustainable Finance Lab en lid van de Sociaal Economische Raad, vindt van niet. Bij de bekendmaking van de Duurzame 100-ranglijst van dagblad Trouw vorig jaar, toen we net met de rubriek van start waren gegaan, deed hij een oproep aan mijn generatie: we moesten ons niet laten afleiden door allerlei hypes en concepten die niet tot de kern van de zaak doordringen.

Maar als we elkaar in oktober spreken is hij over één ding heel duidelijk: ‘Kleine dingen, die nieuwe broedplaatsen, die zijn heel erg nodig en nuttig.’ Alleen: ‘Het is totaal niet genoeg. Je kunt uit je hoofd uitrekenen dat al die initiatieven die er zijn maar voor hoogstens twintig procent voor hun eigen eten en hun eigen energie zorgen.’

Het probleem zit ’m er volgens Van Egmond in dat de overheid en grote bedrijven vastzitten in een bepaalde mindset, een waardepatroon dat maar niet wil veranderen. ‘We maken ons nu op voor de klimaattop in Parijs. Daar verwacht ik eerlijk gezegd heel weinig van, want dat hele proces zit muurvast. Er is een enorme onwil bij beleidsmakers om er iets aan te doen. Het komt allemaal neer op belangen, en dat is een maatschappijbreed probleem. De oudere generatie, mijn generatie, met hun belangen, weerhoudt de jongere generatie ervan zich tijdig aan te passen.’

Dat hebben ze bij Fastned ook gemerkt. Deze start-up bouwt een netwerk van snellaadstations waar elektrische auto’s in twintig minuten kunnen worden opgeladen. Het loopt nog niet storm bij de laders, maar het idee is dat je ergens moet beginnen om elektrisch autorijden aantrekkelijk te maken. Fastned kreeg weliswaar een Europese subsidie van 2,5 miljoen, maar verder loopt het bedrijf steeds tegen een overheidsmuur op. Zo heeft Rijkswaterstaat besloten dat de uitbaters van energielaadpunten in tegenstelling tot pomphouders geen eten en drinken mogen verkopen of wc’s mogen aanbieden. Daardoor loopt Fastned belangrijke inkomsten mis en verzwakt de concurrentiepositie van het bedrijf. ‘De staat loopt achter de olielobby aan en bevoordeelt oude tankstations,’ vindt CEO Michiel Langezaal, die elders in Vrij Nederland ook al sprak van het Haagse ‘ministerie van olie’.

Waar de politiek wel behulpzaam is, zijn de resultaten ernaar: i-did ging pas werken toen de gemeente niet meer moeilijk deed over het volgen van een opleiding met behoud van uitkering (dat was rond dezelfde tijd dat het potje voor dure reïntegratietrajecten leeg raakte.) Dat Tegenstroom dit voorjaar al 250 zonnepanelen op Haarlemmermeerse daken heeft geïnstalleerd, wijdt Van de Graaf aan de sterke lokale politieke wil. ‘Dat geeft een enorm vertrouwen.’ (Ze hebben wel eigenhandig tweeduizend brieven in enveloppen zitten vouwen om nieuwe deelnemers te werven.)

Zulke politieke wil hebben we ook op landelijk en internationaal niveau nodig. Klaas van Egmond: ‘We moeten van die broedplaatsen een winstgevende zaak maken. Door te doen wat we al dertig jaar bespreken, namelijk energie duurder maken en arbeid goedkoper. Als we de echte prijs, dus ook de kosten van klimaatverandering, in rekening brengen, dan worden al die broedplaatsen opeens effectief. Nu laten we ze eigenlijk doodbroeden. Of -bloeden.’

KLARE TAAL

Dat klinkt best hopeloos, maar het bestaan van de broedplaatsen an sich is al waardevol, zegt Van Egmond. ‘Het geeft heel veel sociale energie. Door die beweging van onderop ontstaat er een nieuw elan.’

Tine de Moor ziet dat ook zo. ‘De broedplaatsen zijn heel innovatief in de manier waarop ze dingen doen. We moeten het belang van dit soort leiderschap en ondernemerschap niet onderschatten: dat vergt mensen die bereid zijn out of the box te denken.’

Ook puur experimentele initiatieven kunnen een groot verschil maken, zegt De Moor. Ze denkt aan de bewoners in het Brabantse dorp Heeze-Leende, die zelf met de spade in de grond gleuven hebben gegraven voor een glasvezelnetwerk. Of Schoongewoon, het schoonmaakbedrijf dat tegelijk een werknemerscoöperatie is en waar medewerkers medebestuurders zijn. ‘Het gaat erom dat je het eigenaarschap legt bij degenen die het doen, in plaats van bij de overheid of de markt. Er is niet één blueprint voor alles, soms werkt klein het beste.’

Voor het slagen van de broedplaatsen is het ook zaak ze toegankelijk te maken. De Moor: ‘Het is heel belangrijk om te zorgen dat de benedenlaag van de bevolking wordt meegenomen. Dat lager opgeleiden kans krijgen mee te gaan in het model en niet alleen hoogopgeleiden die toch al veel kans krijgen om te experimenteren. Als we het voor hoger opgeleiden al een niche vinden, dan is het voor anderen echt een enorme stap.’

De media zouden een rol kunnen spelen bij het verlagen van de drempel, zegt Klaas van Egmond, door de dingen in klare taal uit te leggen. ‘De media hebben een enorme verantwoordelijkheid voor wat er met deze samenleving gebeurt, maar ze zijn ook steeds meer onder druk van de commercie gekomen en gedragen zich overeenkomstig.’

 

Tot slot: samenwerking. Niet iets waar mijn individualistische generatie in uitblinkt. Maar het beste wat de broedplaatsen volgens Van Egmond kunnen doen, is zich verenigen in structuren die politieke druk kunnen uitoefenen. ‘Omdat uiteindelijk al die ideeën wel aan de bovenkant moeten worden geplugd.’

‘Het is wachten op goede leiders. Met de Energiewende in Duitsland is het ook gelukt, dus de broedplaatsen moeten niet wanhopen. Maar het is wel… ze wachten op versterkingen in hun strijd. En mijn generatie moet proberen om van de andere kant, van de bovenkant, versterking aan te voeren.’

 

Vrij Nederland blijft wekelijks op zoek gaan naar broedplaatsen. Suggesties zijn welkom via broedplaats [at] vn [dot] nl. In februari maken we ook een nieuwe groep Radicale Vernieuwers bekend: eigenzinnige personen die met veel lef, tegen de stroom in, werken aan concrete oplossingen voor de wereld van vandaag.

Dit artikel verscheen 4 november 2015 in Vrij Nederland

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *